Eigenaren van woningen en eigenaren en gebruikers van niet-woningen betalen onroerendezaakbelasting. De hoogte van de aanslag is afhankelijk van de WOZ-waarde van de onroerende zaak en het bijbehorende OZB-tarief voor woningen of niet-woningen.
Vanaf 2027 wordt bij de raming van de OZB-opbrengst afzonderlijk rekening gehouden met de uitbreiding van het belastingareaal. Hiermee sluit de raming beter aan bij de feitelijke ontwikkeling van het aantal en de waarde van de onroerende zaken binnen de gemeente.
Voor de opbrengst hebben we in de begroting 2027 rekening gehouden met 200 nieuwe woningen die in 2026 worden opgeleverd en vanaf 2027 meetellen in het belastingareaal. Op basis van de gemiddelde WOZ-waarde per woning leidt dit in 2027 naar verwachting tot circa € 71.000 aan aanvullende OZB-opbrengst (dit is € 2,97 per huishouden per jaar). Gereed gemelde woningen die in een bepaald jaar worden opgeleverd, worden vanaf het daaropvolgende begrotingsjaar in de raming meegenomen.
De opbrengst uit areaaluitbreiding ontstaat doordat het aantal woningen waarover OZB wordt geheven toeneemt. Deze opbrengst staat los van de indexering van 2,6% en vormt geen aanvullende tariefverhoging voor bestaande woningen. Door de areaaluitbreiding afzonderlijk inzichtelijk te maken, ontstaat een transparanter onderscheid tussen de opbrengstontwikkeling door indexering en de opbrengstontwikkeling door de groei van de gemeente.
De definitieve OZB-tarieven voor woningen en niet-woningen worden berekend nadat voldoende inzicht bestaat in de ontwikkeling van de WOZ-waarden. Waardestijgingen of waardedalingen worden bij de tariefberekening verwerkt, waarbij de in deze begroting geraamde OZB-opbrengst het financiële uitgangspunt vormt. Hierdoor leidt een algemene stijging van de WOZ-waarden niet automatisch tot een evenredige stijging van de OZB-tarieven.
